COLUMN Cultuur en creatie is jobs, jobs, jobs

Stop de de mythe van de subsidieslurpers voorgoed in een andere schuif van uw kast der wantrouwen, en lees dit schrijven als een rekenmachine met woorden om uw kijk op de creatieve en culturele sector te renoveren. Enkele nieuwe cijfers van Vlaio en Kunstenpunt geven een kordaat antwoord op de vaak misplaatste kritiek. Onze creatievelingen verdienen meer trots, respect en vertrouwen vanuit het beleid.

Laat me, zonder kloppen maar met de glimlach, de deur van het wonderlijke nieuws voor u openen. Er zijn meer dan 225.000(!) mensen werkzaam zijn in de creatieve en culturele sector. Dat is maar liefst 7,46 procent van de actieve beroepsbevolking. Meer dan het dubbele van het aantal werknemers in de bouwsector, of meer dan vier keer het aantal in de landbouwsector. Of dat is gelijk aan het personeelsbestand van 35 Volvo-fabrieken of 42 keer het aantal dat bij Janssen Pharmaceutica.

Op de koop toe krijg je er naast de verbindende, verbeeldende, innovatieve en de ‘gemeenschapsvormende’ kracht van de cultuurmakers, zomaar een economische bijdrage van 16,6 miljard euro bij. Goed voor 5,18 procent van de bruto toegevoegde waarde in Vlaanderen. Terwijl de regering er 1,7 procent van de Vlaamse subsidies tegenover zet. De rest van de subsidies - bij andere sectoren vaak ‘investeringen’ genoemd- gaan naar grote industriële bedrijven, politie, zorg, onderwijs, nieuwe wegen… of een niet rendabele luchthaven. Neem een schopje en begraaf de mythe van de slurper. Neem een pen en schrijf mee aan de parabel van de maker.

In dit verhaal van Vlaanderen valt ook het cijfer bij de zelfstandigen op. Maar liefst 16% van alle zelfstandigen in hoofdberoep zijn werkzaam in de creatieve en cultuursector. Eén op zes van alle Vlaamse zelfstandigen werkt in de audiovisuele sector, in media, reclame of in de game industrie. Of in erfgoed, architectuur, beeldende kunst, design, mode of de podiumkunsten. En de sector blijft stevig groeien, zelfs sterker dan het geheel van de arbeidsmarkt in het Vlaamse Gewest. Hoog tijd voor een stijging van het respect binnen het beleid, zou ik dan durven denken.

Het mantra van jobs, jobs, jobs, … horen we vaak in functie van onze industrie. We moeten de jobs in België houden. En dat begrijp ik. Maar dat riedeltje wordt niet afgespeeld om te lobbyen voor de creatieve of culturele sector. In het Vlaams Parlement hoor ik de Ministers van Cultuur en Media en enkele collega-parlementsleden een lans breken voor de creatieve makers. Maar vaak blijft het daarbij. Terwijl onze werknemers en zelfstandigen ook actief zijn in onderwijs, welzijn, innovatie, wetenschap, beleidsparticipatie, stadsontwikkeling, diplomatie … .

Een te gefragmenteerde visie op onze sector lijkt de oorzaak. In de Commissies Werk, Economie, Buitenland, … krijgt men de indruk dat onze beroepen niet bestaan. Tenzij we in het begin van de zomer het festivalseizoen naderen. Dan hebben politici het ook graag over hun lokaal festivalletje, of over… Tomorrowland, ah ja. Maar welke keten van mensen en beroepen verantwoordelijk zijn voor al dat zomerplezier, daar staat men te weinig bij stil.

De muzikant kent men nog, maar men spreekt niet over de ambacht van de songsmid, de instrumentenbouwer of over het innovatieve van de saxofoon of de Moog-synth. Bij een bedrijfsbezoek spreekt men met de CEO en hopelijk ook met het personeel op de werkvloer. Maar men vergeet de ontwerper van het logo, de videokunstenaar, de sound designer, de copywriter, de stemacteur, … te bedanken voor de wervende promotievideo. Het spelplezier tijdens een game of kijkplezier bij een film en het ontroerende verhaal van de scenarist, doet vergeten welke batterij aan mensen nog verantwoordelijk zijn voor het eindresultaat. En wie heeft de kostuums van de sterren op de dansvloer gemaakt? Het ontwerp van de sjaal die we dragen als we supporteren voor onze voetbalclub? Wie is de architect van het gebouw waar we werken? De ontwikkelaar van de app die we gebruiken? De designer van de stoel waarop we zitten?

Zonder te vervallen in enig cynisme, is dit vooral een positieve oproep. Om de visie van de vele creatievelingen in te zetten en naar waarde te schatten. Als we pronken over het ‘out of the box’ denken van de creatievelingen, waarom kijken we dan als politici zelf te weinig over het muurtje? Kunnen we die verbindende kracht tussen beleidsdomeinen dan ook beschouwen als een sterkte? Kunnen we die helicopterview ook inzetten, benadrukken en verdedigen als beleidsmakers? In uitdagende tijden, hebben we die verbeelding net van doen, niet?

Let’s walk the talk. Laat het alvast een een persoonlijke missie zijn, maar tegelijk ook een uitnodiging om de creatieve en cultuursector mee te nemen in uw wervend verhaal. Van Menen tot Maasmechelen, van de steegjes in de periferie van de steden tot op de internationale podia. Daar waar politici dan trots het lintje mogen knippen bij de opening van een nieuwe school, een nieuw plein of park, een wetenschappelijk onderzoek, een groot mobiliteitswerf of tijdens een internationale ontmoeting. Want ook daar. Negen kansen op tien was er een creatieve of cultuurmaker betrokken bij het eindresultaat. De optelsom is simpel te vertalen in … jobs, jobs, jobs.

Vorige
Vorige

Interview ‘De Zondag’

Volgende
Volgende

COLUMN Muzikant versus machine: wie wint de strijd?